Roken
In de jaren zeventig, net even in de nadagen van de jaren zestig met hun extreme omwenteling van normen en waarden (Balkende kwam er vele jaren later tot ons afgrijzen op terug), bleek er een nieuwe cultuur te zijn ontstaan, misschien niet van vrijheid blijheid en doe wat je wilt, maar toch. Roken in de klas was toegestaan. Niet enkel de docenten (in mijn opleiding waren er dat niet zoveel), maar vooral wij studenten zaten in de collegebanken met een bekertje koffie en een gedraaid shagje tussen de vingers. Dat kon toen allemaal. Het peukje werd gedoofd in dat plastic koffiebekertje, waar op de bodem nog wat restantjes koffie.
Als ik me hierop concentreer ruik ik weer dat plastic koffiebekertje met zijn geur van erin verzopen sigarettenpeukjes en ik zie de smerige asgrijze kleur met een gifgroen zweem op de bodem van dat bekertje.
Deze toen vanzelfsprekende en getolereerde verslaving lijkt bijna uitgeroeid, maar nu blijkt de nieuwste generatie te vallen voor vipen, een zo mogelijk nog ernstiger verslaving. Mien god, wat heeft het mij een moeite gekost om van het roken af te komen. Zelfs nu, een twintigtal jaren later, droom ik er af en toe van dat ik een pakkie shag heb gekocht en weer rook. Toch weet ik, zelfs in mijn droom, dat er iets niet klopt. Ik was toch gestopt realiseer ik me dan en ik gooi het pakje shag weg voordat lief of weet ik wie in mijn droom erachter kunnen komen. Ik weet zeker dat, wanneer ik ooit weer een sigaretje opsteek, ik binnen de kortste keren weer verslaafd zal zijn.
Wie zal me zeggen, wanneer ik zo in herinnering en het voorbije ronddwaal, wie zal me zeggen, met wie ik op deze manier nog werkelijk contact kan leggen? Immers herinnering betreft het voorbije, het leven dat al geleefd is, en daarmee dus dood.
Ik schreef het al eens vaker, het land van je jeugd is niet zo moeilijk terug te vinden, je vindt jezelf vrij gemakkelijk terug waar je ooit was. Enkel leeft er daar niemand meer en ben je er alleen met jezelf. Het is een dode wereld.
Wat is dit toch, dit tegen beter weten in rondspoken in herinneringen? Waarom rijd ik bijvoorbeeld naar de haven van Lauwersoog, waar lief en ik ooit op zijn tijd eens kwamen en een visje, een patatje aten? Waarom verneuk ik mezelf? Ik weet dat ik haar daar niet zal vinden, ze is immers voorgoed verdwenen uit mijn waarneembaarheid. Hiermee wil ik overigens niet suggereren dat zij ver buiten onze waarneembaarheid daar toch nog op een onnaspeurbare wijze als lief voortleeft.
Zoek ik troost, of wil ik me enkel koesteren in het idee dat we ooit hier eens samen waren en dat ze er op de een of andere manier op deze wijze toch bij is. Wil ik haar niet zijn toch op deze manier aanwezig te laten zijn als aanwezige afwezigheid van haar? Wat is haar werkelijkheid op deze manier? Ze is er niet, maar ik wil haar toch er laten zijn? Hoe kleinzielig dit alles! Misschien is dit waarnaar Edith Eger verwijst als het concentratiekamp van de geest.
Is rouw zoiets als roken, hijsen en nooit genoeg krijgen, steeds weer een nieuw peukje te willen? Is roken zoiets als troost zoeken? Volgens Freud is het te herleiden tot het missen van de tepel. Nou, ik mis dan Tepellientje.
Plaats een reactie